Een sterke veiligheidscultuur betekent niet automatisch dat veiligheidsprocessen overal op dezelfde manier worden uitgevoerd. Twee locaties kunnen volgens dezelfde veiligheidsstandaard werken, dezelfde trainingen aanbieden en positief scoren in medewerkersonderzoeken, terwijl zij vergelijkbare risico’s in de praktijk heel anders beheersen.
Op de ene locatie wordt een bijna-ongeval direct gemeld, onderzocht en opgevolgd. Op een andere locatie wordt hetzelfde type gebeurtenis via een lokaal proces afgehandeld en duikt een vergelijkbaar probleem maanden later opnieuw op.
Op papier voldoen beide locaties aan dezelfde standaard. Het verschil zit in wat er daarna gebeurt.
Wat is de execution gap in veiligheid?
Met de execution gap bedoelen we het verschil tussen de veiligheidsstandaard die een organisatie heeft vastgesteld en de manier waarop die standaard in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd, opgevolgd en gecontroleerd.
Het is geen afzonderlijk wetenschappelijk meetmodel. We gebruiken de term hier als praktische aanduiding voor de kloof die kan ontstaan tussen beleid en uitvoering. Juist daar kan waardevolle informatie liggen over hoe veiligheidsmanagement in de praktijk functioneert.
Wanneer veiligheidscultuur niet wordt vertaald naar de praktijk
Veiligheidscultuur gaat over de gedeelde waarden, overtuigingen en verwachtingen rond veiligheid binnen een organisatie. Veiligheidsklimaat beschrijft meer specifiek hoe medewerkers op een bepaald moment de veiligheidsprioriteiten, praktijken en het gedrag binnen hun organisatie ervaren.
Nemen managers veiligheid serieus? Voelen medewerkers zich vrij om risico’s te melden? Blijft veiligheid een prioriteit als de operationele druk toeneemt?
De antwoorden op deze vragen zeggen veel. Maar ze vertellen niet het hele verhaal.
Stel dat een organisatie voorschrijft dat bijna-ongevallen binnen 24 uur moeten worden gemeld. Op de ene locatie gebeurt dat via een centraal systeem en wordt de melding snel besproken. Een andere locatie gebruikt e-mail of een lokale spreadsheet en handelt de melding binnen het eigen team af.
De formele eis is hetzelfde. De uitvoering niet. Daardoor kunnen ook de kwaliteit van de informatie, de opvolging en het vermogen om van incidenten te leren verschillen.
Hoe herkent u de kloof tussen beleid en uitvoering?
Wie alleen naar medewerkersonderzoeken kijkt, ziet maar een deel van het verhaal. Leg die resultaten naast procesgegevens en wat er daadwerkelijk op de werkvloer gebeurt, en verschillen worden vaak veel duidelijker.
Die verschillen zijn terug te zien in concrete signalen. De ene locatie meldt bijvoorbeeld veel meer bijna-ongevallen dan de andere. Dezelfde incidenten keren terug. Corrigerende maatregelen worden netjes afgesloten, maar niemand controleert later of ze hebben gewerkt. Of medewerkers blijken in de praktijk anders te werken dan de procedure voorschrijft.
Ook achterstanden vertellen iets. Hoe lang duurt het voordat een incident wordt onderzocht? Hoeveel corrigerende maatregelen staan nog open? Worden kritische beheersmaatregelen daadwerkelijk gecontroleerd? En verschillen die resultaten sterk tussen locaties?
Juist die vergelijking is belangrijk. Een positief resultaat voor de organisatie als geheel kan lokale problemen aan het zicht onttrekken.
Ook een laag aantal gemelde bijna-ongevallen vraagt om context. Het kan betekenen dat een locatie goed presteert. Maar het kan ook betekenen dat medewerkers weinig melden, niet weten wat er met een melding gebeurt of hebben ervaren dat eerdere meldingen onvoldoende werden opgevolgd.
Door ervaringen van medewerkers naast gegevens over incidenten, risico’s, inspecties en corrigerende maatregelen te leggen, ontstaat een completer beeld van wat er in de praktijk gebeurt.
Wanneer is een corrigerende maatregel echt effectief?
Een corrigerende maatregel is pas effectief als deze de onderliggende oorzaak aanpakt, het risico voldoende vermindert en na invoering wordt gecontroleerd of de maatregel ook werkt.
Een actie toewijzen, uitvoeren en administratief afsluiten is dus niet hetzelfde als aantonen dat het probleem is opgelost.
Neem een voertuig dat tegen een laadperron rijdt. Aanvullende opleiding voor de bestuurder kan zinvol zijn. Maar als het onderzoek daar stopt, blijft een belangrijk deel van de situatie buiten beeld.
Hoe is de locatie ingericht? Zijn de verkeersroutes logisch? Is er voldoende zicht? Speelden tijdsdruk of andere operationele omstandigheden een rol?
Pas daarna komt de vraag die vaak het belangrijkst is: heeft de gekozen maatregel het risico daadwerkelijk verminderd?
Hetzelfde geldt wanneer ervaren medewerkers regelmatig alternatieve werkwijzen gebruiken om hun werk gedaan te krijgen. Extra training is dan niet automatisch het juiste antwoord. De werkwijze zelf kan het probleem zijn.
Als bekende risico’s lange tijd open blijven staan of operationele doelstellingen regelmatig botsen met veiligheidseisen, is het zinvol om breder te kijken. Wie is verantwoordelijk? Zijn er voldoende middelen beschikbaar? En werkt de governance zoals bedoeld?
De Britse Health and Safety Executive benadrukt dat incidentonderzoek verder moet gaan dan alleen de directe oorzaken. Het identificeren van onderliggende oorzaken helpt organisaties maatregelen te bepalen die herhaling moeten voorkomen. De HSE-richtlijn HSG245 behandelt onder meer het verzamelen en analyseren van informatie, het identificeren van risicobeheersmaatregelen en het uitvoeren van een actieplan.
Wat zegt onderzoek over veiligheidsklimaat en veiligheidsprestaties?
Ook wetenschappelijk onderzoek laat zien waarom het belangrijk is om zorgvuldig om te gaan met wat veiligheidsklimaat ons wel en niet vertelt.
Een meta-analyse van Jiang, Lavaysse en Probst onderzocht 120 onafhankelijke steekproeven met in totaal 81.213 deelnemers. De onderzoekers analyseerden de relatie tussen veiligheidsklimaat en onder meer veiligheidsgedrag, risicoperceptie, ongevallen, letsel en andere ongewenste gebeurtenissen.
De onderzoekers vonden dat sectorspecifieke metingen van veiligheidsklimaat een sterkere voorspellende waarde hadden voor veiligheidsgedrag en risicoperceptie dan algemene metingen. Algemene metingen hadden een sterkere voorspellende waarde voor andere ongewenste gebeurtenissen, maar niet voor ongevallen en letsel.
Daar moeten we niet meer uit afleiden dan het onderzoek laat zien. De resultaten betekenen niet dat een sterk veiligheidsklimaat op zichzelf ernstige incidenten voorkomt. Het onderzoek bestudeert ook niet wat we in dit artikel de execution gap noemen.
Het onderzoek onderstreept wel waarom veiligheidsklimaat waardevolle informatie kan bieden, zonder dat het daarmee een volledig beeld geeft van de dagelijkse veiligheidsuitvoering.
Van een sterke veiligheidscultuur naar aantoonbare uitvoering
Voor organisaties met meerdere locaties is het daarom niet genoeg om te weten dat medewerkers veiligheid belangrijk vinden. Interessanter is wat er daarna gebeurt.
Wordt een bijna-ongeval overal even serieus opgevolgd? Worden dezelfde risico’s op verschillende locaties op een vergelijkbare manier beheerst? Wordt na een corrigerende maatregel gecontroleerd of het probleem echt is opgelost? En bereikt wat op de ene locatie wordt geleerd ook de rest van de organisatie?
Daar ligt een belangrijk verschil tussen veiligheidsintentie en veiligheidsuitvoering.
Een positief veiligheidsklimaat blijft waardevol. Maar om te begrijpen hoe veiligheid in de praktijk functioneert, moet een organisatie ook kijken naar processen, gedrag, operationele gegevens en wat er daadwerkelijk op de werkvloer gebeurt.
Voor EHS-verantwoordelijken verschuift de aandacht daarmee van de vraag “Hebben we een sterke veiligheidscultuur?” naar een vraag die minstens zo belangrijk is: “Kunnen we aantonen dat onze veiligheidsprincipes consequent worden uitgevoerd?”
Door percepties van medewerkers, procesgegevens en observaties op de werkvloer met elkaar te verbinden, wordt zichtbaar waar beleid en dagelijkse uitvoering uit elkaar beginnen te lopen. Juist daar ontstaat een beter beeld van hoe veiligheid in de praktijk functioneert en waar verbetering nodig is.


